Het is elke keer weer een indrukwekkend verschijnsel wanneer onze cactussen hun bloemenpracht tonen. De "Queen of the Night", ook wel Torch Candle genoemd, heet officieel Trichocereus Spachianus en is voor het eerst in 1839 beschreven door de Franse botanicus Charles Antoine Lemaire ter ere van zijn landgenoot Edouard Spach. Hoe deze soort in Zuid-Afrika gekomen is, is niet bekend, maar je vindt ze op heel veel plaatsen en het worden er steeds meer. In onze tuin staan er minstens 130 en ook daar worden het er steeds meer.

Deze keer telde Sanja 88 prachtige witte bloemen. Geen record, want dat staat op maar liefst 135 bloemen in één keer. Maar met 88 zijn we ook meer dan tevreden en de insecten ook, want die kwamen in groten getale op de bloemen af. De cactus kan tot wel twee meter hoog worden. Jammer is het wel, dat de bloeitijd zo kort is. De bloemknoppen verschijnen een paar dagen eerder en dan op een vroege avond gaan die open en verschijnt de fraaie, geurige bloem. Een lang leven is die niet beschoren, want de volgende dag is al het moois al weer voorbij.
Toch is niet iedereen blij met deze cactus-soort. Wetenschappers noemen de "Queen of the Night" een zogenaamde "alien invader" ofwel een ongewenste indringer. Deze cactus komt oorspronkelijk uit Zuid-Amerika, meer speciaal uit West-Argentinië en verspreidt zich zeer snel in delen van Zuid-Afrika. Deze cactussen concurreren met inheemse soorten. In de savanne groeien zij onder de kruinen van bomen, waardoor huisdieren en wilde dieren geen toegang hebben tot schaduw. Waar het echte plagen beginnen te worden, vermindert de draagkracht van het land en kunnen de vele stekels verwondingen veroorzaken bij grazende dieren (trouwens ook bij een tuinman zoals ik😒). Verwondingen door de stekels zijn niet alleen pijnlijk, maar zijn ook giftig en kunnen leiden tot ontstekingen. Op de Zuid-Afrikaanse lijst van indringerplanten staan heel wat planten, struiken en bomen, zoals ook de Oleander, Bougainvillea en de Jacaranda boom.
Tenslotte: Vorige week heb ik al aangekondigd om mijn motorleven eens op papier te zetten en dat heb ik de afgelopen dagen gedaan. Hier volgt deel 1:
1. Mijn
gemotoriseerd leven:

Mijn eerste ervaring met een gemotoriseerd vervoermiddel begon in 1965. Op
16 jarige leeftijd ging de fiets aan de kant en moest er een bromfiets komen.
Ik had in een aantal vakanties meegeholpen in het hoveniersbedrijf van mijn
vader en als dank voor bewezen diensten gingen we samen op zoek naar een
bromfiets. Een nieuwe was te duur, maar neef Wim, de zoon van ome Jan en tante
Anna van Stiphout in Boxtel, had een in goede staat verkerende bromfiets en
wilde die wel verkopen. Het bleek een Zündapp te zijn en die zag er heel goed
onderhouden uit. Een proefrit verliep heel tevredenstellend en de koop werd gesloten.
Voor 600 gulden reed ik gemotoriseerd.

Dat die Zündapp een zogenaamde “dikke uitlaat” had, die iets meer snelheid leverde en ook een pittiger geluid maakte, was voor mij mooi meegenomen, maar daar dacht een onverlaat op een avond in Eindhoven ook zo over. Na de dansles bij Van Vuren wilde ik naar huis en startte de bromfiets, die met een enorme herrie tot leven kwam. Onderzoek maakte duidelijk, dat de “dikke uitlaat” verdwenen was. Naar huis lopen was natuurlijk geen optie en met veel te veel lawaai reed ik terug naar Geldrop. Daags daarna werd er bij Pauke van Lieshout op de Mierloseweg een nieuwe, gewone uitlaat gekocht. Een week later kreeg ik tijdens de dansles te horen, dat ik niet de enige was geweest die met diefstal te maken had. Meerdere personen bleken slachtoffer geworden te zijn van de onverlaten. Ik zat intussen op de kweekschool Hemelrijken en moest een praktijk-stage lopen op een lagere school aan de Zeelsterstraat. Toen ik op een ochtend stopte bij de school, stopte een politieauto achter me ook en kreeg ik ten overstaan van enkele leerkrachten en minstens 100 leerlingen een fikse bekeuring vanwege te snel rijden !

Na drie jaar met tevredenheid en zonder ernstige ongelukken met de Zündapp
gereden te hebben met slechts één keer een minimaal schuivertje, kreeg
ik belangstelling voor het snellere werk. Toen ik 18 jaar was, liep ik namelijk
tegen mijn eerste vriendinnetje aan. Dat was Kitty Castelijns uit de
Fleskensstraat. Haar vader had een technische baan bij Philips in Eindhoven en
reed elke werkdag op een reeds op gevorderde leeftijd zijnde Engelse BSA naar
de gloeilampenfabriek. Met grote interesse keek ik telkens naar die “machtige
500 cc motor”.

Reden voor mij om eens te kijken of er een motorrijschool in
Geldrop was. En die was er. Maar eerst
moest er thuis nogal wat overredingskracht toegepast worden, want erg
enthousiast waren mijn ouders niet bepaald. “Zou je niet liever gewoon je
autorijbewijs gaan halen? ”, was hun gedachte. Maar de aanhouder wint en enige
tijd later stond rij-instructeur Cor Verkennis – die ik
al kende als onze trainer van de voetbalclub VV Geldrop – met een enigszins
bejaarde Vespa scooter klaar om mij te leren rijden. Zo’n vervoermiddel met
slechts twee versnellingen en geen snelheid was niet bepaald mijn droom, maar
gelukkig had ik maar 6 lessen nodig om op examen te mogen. Op de kweekschool
hadden we in die tijd ook verkeerslessen gehad en dus was de theorie voor mij een makkie. Zowel
het theoretisch al praktisch examen verliepen de eerste keer gelijk succesvol
en binnen drie maanden had ik mijn motorrijbewijs in bezit. Volgende week deel 2: Mijn eerste motor !
Afrikaans woordenboek:
ysterperd = motorfiets